Mijn tips.

 

Autodesk Inventor Professional 2014 en AutoCad.

Open een AutoCad tekening. AutoCad tekeningen bewerken in Inventor is veel te tijdrovend. Ik selecteer de hele autocad tekening en verander alle lijnen in construction lines. Ik sketch liever in Inventor ,  de constraints worden automatisch toegevoegd. Bovendien is de sketch meteen te extruderen.

Aanwezigheid van Proxy Graphics in AutoCad.

De aanwezigheid van proxy grahics in een dwg tekening werkt alleen maar storend. In sommige gevallen is copy paste en wblock niet meer mogelijk.  Met saveas, opties (rechtsboven), kan ik een vinkje uitzetten bij proxygrahics niet mee saven, dit is belangrijk.  Ik save de tekening naar versie AutoCad 2004.dxf . Open de tekening met AutoCad 2010 (deze versie maakt het goed schoon) en nadat ik de tekening ge-audit heb ga ik een wblock maken. en waarempel, de tekening is nu "brandschoon".

Autodesk Inventor Professional 2009 en AutoCad.

 3 D Modellen (Assemblies.iam) getekend met Inventor kunnen we ook in AutoCad bewerken. In Inventor save je de file met Save copy as naar een step bestand. Dit step bestand importeer je in AutoCad. Het 3D model kan meteen bewerkt worden.

Wblock.

Om blocks in een volle tekening op te schonen doe ik van dit block een wblock maken. Wblock maakt een aparte file ( new block ). Beter is om de file een toepasselijke naam ( niet de reeds bestaande blocknaam ) te geven.  Let op het WCS systeem. Zet het WCS systeem op World en gebruik dan pas wblock.

Vervolgens selecteer je het block om deze naar een aparte file te schrijven. Het pad naar deze file is meestal de map waar de tekening in staat. Open dit bestand, bewerk deze en bewaar het opnieuw. Ga naar je tekening en insert met de browser naar de bewuste file. Als insertion point kies je (0,0,0) en voila, het nieuwe block staat in de tekening.

Wipeout.

Om delen van tekeningen onzichtbaar te maken gebruiken we wipeout.  De begrenzingen worden bepaald door eerst polylines te tekenen. Selecteer met wipeout een polyline en wis vervolgens de polyline. Als resultaat krijg je een frame. Als je het wipeout commando opnieuw activeert kan je de zichtbaarheid van de frames ON of OFF  zetten.

Tips.

Typ het <Selectsimilar > commando in de commando regel. Selecteer objecten op basis van kenmerken, layer, color, linetype, linescale, etc. Met (SE)lect stel je deze in.

Typ het < Dimrotated>  commando in de commando regel voor het bematen van objecten die onder een hoek staan.

Soms wordt een maat ingetypt (override) terwijl het niet de echte juiste maat is. Typ het < Dimreassoc>  commando in de commando regel om te kontroleren of de bemating overrided is. Handig om maten te kontroleren op tekeningen van derden.

Typ het < SYSVDLG>  commando in de commando regel om instellingen van de systeemvariabelen te backuppen.

Multiple insertion points in een block aanmaken. Open het block met de blockeditor en in de Block Authoring Palette selecteer je in de tab parameters <Point>. Verlaat de blockeditor en voeg het block in de tekening. Tockle met de <CTRL> toets  en je kiest  de beste insertionpoint.

Met de cursortoets < pijl omhoog> ga je een regel terug in de commandoregel.

<Layermerge>  Objecten in verschillende lagen samenvoegen in 1 laag. De current layer kan niet ge-merged worden. Je selecteert de objecten in die lagen die je wil mergen en vervolgens selecteer je een object met die laag waar alle objecten uiteindelijk moeten komen.

Fatal error in Autocad 2014.

Mocht je nog Autocad 2010 geïnstalleerd hebben, met wblock maak je de hele tekening schoon en laad je de wblock tekening met Autocad 2014 weer in. De foutjes in de tekening  zullen nu voorgoed tot de verleden tijd behoren en dus geen fatal errors meer veroorzaken. Autocad 2014 is kieskeurig. Foutjes in de tekening worden meteen gedetecteerd en Autocad 2014 crasht. Tekening dus eerst schoonmaken met versie 2010.

3D Sketch on plane in Solidworks.

Gebruik de <tab> toets voor de assenverdraaiingen (assen in rood) waarin geschetst kan worden. Dubbelklik om een line commando te stoppen.

Xref in AutoCad.

Voordat we de Xref invoegen openen we de Xref tekening en daar controleren we units (meestal in mm maar gaat het om plattegronden, dan in meters). In de bestemmingstekening gaan we dezelfde units instellen. Ook zorgen dat het WCS in beide tekeningen hetzelfde zijn. Bij het invoegen kiezen we voor het plaatsen op scherm. De verschaling is meestal niet nodig want een Xref is meestal 1:1 getekend.

Block bibliotheek maken in AutoCad.

Een tekening kan blocks bevatten en sommigen kunnen misschien gebruikt worden in andere tekeningen, denk maar aan profielen of samengestelde profielen etc. In Designcentre navigeer je naar de tekening waarin de blokken staan en navigeer je vervolgens naar het mapje blocks in de linker pane.  Als je deze aanklikt dan zie in de rechter pane al die blokken die in de tekening gebruikt worden. Zit er iets bruikbaars tussen dan kopieer je deze naar een nieuwe autocad tekening. Units in mm als units in de orginele tekening ook in mm zijn.

Group.

Group is handig als je tijdelijk een aantal objecten wilt koppelen om het daarna als geheel op de tekening te verplaatsen, kopiëren etc.  Group niet verwarren met het make block commando. Door de objecten te selecteren worden deze tot één group verzameld en kan je deze verzameling een group name geven. Let op: de group name mag geen spaties bevatten. Met groupedit  voeg je (add) of verwijder je (remove) objecten. Handig en overzichtelijk is group in samenstellingen of in layouts.

 

Tekening in kleur plotten/printen.

Een tekening in kleur plotten/printen doen we met de plotsyle:  DWF virtual pens

UCS draaien.

Af en toe krijg je tekeningen met een UCS onder een bepaalde hoek. Is lastig.  Maar er zijn 2 mogelijkheden om de UCS te corrigeren.

1. Je gaat naar een object en met de 3 point  tool in View  definieër je de x, y (en z ) richtingen. De oorsprong UCS(0,0,0) is hierdoor bepaald. In 3D Views, Plan View en Current UCS zet je het object horizontaal en vervolgens definiëer je met Named UCS onder Tools een nieuwe UCS bijvoorbeeld genaamd Horizontal en bevestig je deze met set current. De coordinaten van het object zijn onveranderd omdat het WCS niet gewijzigd is.

2. Je gaat naar het object en met de 3 point  tool in View  definieër je de x, y (en z ) richtingen. De oorsprong UCS(0,0,0) is hierdoor bepaald. Vervolgens maak je met wblock een nieuwe tekening onder een andere naam. Open je deze nieuwe tekening dan zal je zien dat de gedefiniëerde UCS ook het WCS is geworden.  In 3D Views, Plan View en Current UCS zet je alles horizontaal. Let wel : de coördinaten van het object zijn veranderd.

In lagen tekenen.

Ik maak veel gebruik van lagen. Heel handig als ik iets wil wijzigen, aanpassen of uitbreiden. Met de layertool isolate isoleer ik een laag en ik kan alle objecten in die laag bewerken.

Meerdere tekeningen in één keer omzetten naar .pdf

Met het commando publish is dit mogelijk. Standaard plot ik daar alle tekeningen mee uit die ik geopend heb in Autocad. Doch je kunt ook met de knop Add sheets . . . eventueel nog andere tekeningen toevoegen.

Wel dien je voor elke tekening een page setup ( met add een naam toekennen ) te maken en mee te saven. De page setup naam zie je in de batchplot terug. 

Batchplot vind je in Output (Ribbon).

a. Haal de tekeningen op zie 9.

b. Controleer de page setup zie 4.

c. Preview de plot zie 6.

d. Save de set tekeningen zie 2.

e. Geef het pad aan waar de geplotte tekenigen moeten komen zie 1.

f. Kies single sheet i.p.v. multiple zie 3.

g. Controleer sheet detail and publish to, Druk op publish zie 5.

 

 

 

 

 

 

 

Verschillende schalen door elkaar in Modelspace.

In model space bestaat er geen viewport schaal maar je kunt wel een annotation schaal opgeven. Ik gebruik hiervoor de plotschaal van het grootste deel van mijn tekening zodat de meeste annotaties er in model space goed uitzien.

Een dynamisch block "verplaatst " wanneer een annotation scale wordt veranderd. In dit geval, selecteer het block en gebruik het commando annoreset oftewel sync(hronize) scale positions. Voor iedere schaal worden de blokken gereset. Vaak gebruik ik de commando annoreset  in combinatie met attsync. Bevat een block z.g. stretch attributen, zorg dan voor een (0,0) als referentiepunt voor dit block.

Opschonen van een Autocad tekening.

Een tekening opschonen met purge is niet voldoende.  Ik maak een nieuwe met wblock. Hiermee verwijder je tevens layers die niet gebruikt worden.

Plaatuitslag met Autocad.

Een eenvoudige uitslag maken van een gezette plaat (blauwe lijn) die onder een hoek wordt gesneden met Autocad is eenvoudig te construeren door de gezette plaat te modelleren in 3D.
Ik modelleer tot het eindresultaat met de solid editing tools van Autocad.

Daarna maak ik met section, 2 doorsneden (cyaan lijnen) n.l. een doorsnede onder de gewenste hoek en een doorsnede loodrecht op de lengte-as. Mijn UCS(0,0,0) plaats ik tevens in deze doorsnede. In beide doorsneden teken ik de neutrale lijn.
Voor de rechte lijnstukken is het geen probleem om de lengtes te bepalen, voor de gekromde lijnstukken, meestal een soort ellips of een cirkel verdeel ik deze in 4 of 6 stukken. Vanaf de eindpunten construeer ik lijnen m.b.v.  .xy en .z (filter coördinaten) parallel naar de doorsnede loodrecht op de lengte-as. Zie de magenta lijnen in z-richting.
Deze lijnen zijn de hoogtematen voor de uitslag. De verdeelde lijnstukjes in de doorsnede loodrecht op de lengte-as zijn de lengtematen voor de uitslag.